Rb. Noord-Holland 9 oktober 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:9860

Verweerder is er op grond van de bepalingen van de Wnb terecht van uitgegaan dat geen ontheffing soortenbescherming nodig is en er daarom geen sprake is van een (dreigende) overtreding van de verbodsbepalingen in de artikelen 3.3 en 3.8 van de Wnb. De beantwoording van de vraag of de Wnb op dit punt in strijd is met de Habitatrichtlijn gaat het bestek van de voorlopige voorzieningenprocedure te buiten. Vraag of thans een voorlopige voorziening moet worden getroffen zal in het bijzonder afhankelijk zijn van een te maken belangenafweging. Er is sprake van een bijzondere situatie omdat in de belangenafweging een afweging moet worden gemaakt tussen twee natuurbelangen, die de Wnb allebei beoogt te beschermen. In dit geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan het urgente belang van verweerder bij het zo spoedig mogelijk doorgang kunnen laten vinden van de geplande bomenkap en overige werkzaamheden een zwaarder gewicht toekomt dan aan het belang van de Stichting bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken