Rb. Noord-Holland 24 april 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6799

Werknemers van een gemeente hebben recht op een Individueel Keuze Budget (IKB) dat de werknemer kan besteden voor bepaalde doelen, waaronder een aanvullende reiskostenvergoeding. De gemeente heeft gedurende de lockdown wegens de coronapandemie de aanvullende reiskostenvergoeding doorbetaald. Op deze betalingen is de eindheffing toegepast. De staatssecretaris heeft een besluit gepubliceerd betreffende reiskostenvergoedingen gedurende de pandemie. In geschil is of de gerichte vrijstelling van toepassing is op de uitbetaalde vaste reiskostenvergoedingen indien de werknemers hun keuze tot besteding van het IKB bekend hebben gemaakt na 12 maart 2020. Meer specifiek is in geschil op welke wijze het besluit uitgelegd dient te worden. De gemeente neemt het standpunt in dat werknemers al voor 12 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht hadden op de vaste reiskostenvergoeding, ongeacht of zij op die datum reeds hun keuze bekend hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de staatssecretaris ziet op vaste reiskostenvergoedingen die reeds voor 13 maart 2020 waren toegekend. Werknemers hadden een onvoorwaardelijk recht op IKB, maar niet op de doelen waaraan het IKB besteed kan worden. Werknemers hadden ook voor andere doelen kunnen kiezen. De rechtbank volgt de stelling van de gemeente dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het verbod op willekeur niet. Ook faalt het beroep op (andere) algemene beginsel van bestuur. De verschuldigde afdracht eindheffing voor de reiskostenvergoedingen blijft in stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen