Rb. Noord-Holland 1 mei 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:5067

In geschil is of eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding voor de ongeveer 1.000 door haar ingestelde beroepen. Voor de proceskostenvergoeding is van belang hoe invulling gegeven dient te worden aan het begrip ‘samenhangende zaken’. Voor de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase zoekt de rechtbank aansluiting bij de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:4109) en stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 54,50 per gegrond bezwaar. Voor wat betreft de beroepsfase bestaat aanleiding om toepassing te geven aan artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarbij heeft de rechtbank 0,5 punt toegekend aan vijf nadere stukken van eiseres, één punt aan alle beroepschriften tezamen, één punt aan de eerste zittingsdag en 0,5 punt aan de tweede zittingsdag. De wegingsfactor stelt de rechtbank vast op 1. Dat leidt tot een totale proceskostenvergoeding voor de kosten van rechtskundige bijstand van € 4.185 (5 x € 837 x 1 (ECLI:NL:HR:2022:752)) voor alle op de zittingen behandelde beroepen. Ook heeft eiseres verzocht om een toekenning van immateriële schadevergoeding. Voor de toekenning van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank aanleiding om voor alle beroepen gezamenlijk en in goede justitie de immateriële schadevergoeding vast te stellen op € 15.000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken