Rb. Noord-Holland 17 januari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4267

Eiser heeft in de onderhavige jaren 50% van de eigendom van een bedrijfspand en is samen met een compagnon via een holding indirect aandeelhouder van BV waarin een paaldansclubonderneming wordt uitgeoefend. De BV huurde het pand van haar indirecte aandeelhouders. In een vaststellingsovereenkomst met de inspecteur is overeengekomen dat de huurprijs van € 72.822 zakelijk is. De paaldansclubonderneming is verkocht aan een derde en er is een huurovereenkomst gesloten voor 10 jaar waarbij het bedrijfspand door de BV werd onderverhuurd aan de koper voor een bedrag van € 650.000 (inclusief een goodwillelement). De aandelen in de BV zijn daarna door de holding verkocht aan een derde voor een koopprijs van € 30.000 en een jaarlijkse earn-out bestaande uit 94% van de over tien boekjaren gerealiseerde nettowinst van de onderneming. Eiser en zijn compagnon hebben vervolgens de huur van hun pand aan de BV opgezegd en nemen de onderhuurovereenkomst over zodat zij het pand rechtstreeks verhuren aan de koper van de onderneming. De rechtbank is van oordeel dat eiser (en zijn compagnon) de huurverhoudingen zo gewijzigd hebben dat de earn-out die de holding ontving feitelijk te verwaarlozen is geworden. Hiermee heeft de holding op onzakelijke gronden inkomsten prijsgegeven ten gunste van de aandeelhouders. Dit had als inkomen uit aanmerkelijk belang bij eiser belast moeten worden. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken