Rb. Noord-Holland 4 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:13358

Verweerder heeft aan eiseres (een transportbedrijf) boetes opgelegd voor meerdere overtredingen van de Meststoffenwet, waaronder het niet opmaken van Vervoersbewijzen Dierlijke Mest (VDM’s) en het niet bemonsteren van verschillende mesttransporten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het rapport van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit kon baseren. Dat het onderzoek van de toezichthouders is gestart vanwege het aantreffen van drugsafval in de mestputten maakt niet dat het rapport, nadat overtredingen van de Meststoffenwet door de toezichthouders zijn geconstateerd, niet aan het boetebesluit ten grondslag mag worden gelegd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakte dat de Landbouwbedrijven waarvoor zij de mest heeft vervoerd, op basis van een huurovereenkomst het exclusieve gebruiksrecht op de mestopslagen op de locatie van de derde hebben verworven, waardoor die opslagen tot hun bedrijven kunnen worden gerekend. De rechtbank verwijst daartoe allereerst naar de uitspraak van heden inzake het beroep HAA 23/3720. Ten aanzien van de gestelde huur van de mestput door het andere landbouwbedrijf is de rechtbank van oordeel dat ook niet is gebleken dat sprake was van exclusiviteit van gebruik van een van de mestputten en van een realistische tegenprestatie. Dit betekent dat eiseres voor het transport van mest naar deze putten ten onrechte geen VDM’s heeft opgemaakt en de mest ten onrechte niet heeft bemonsterd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres als vervoerder verwijtbaar heeft gehandeld. Eiseres diende na te vragen en ook te onderzoeken of bij het vervoer van mest naar een andere locatie wel sprake was van bedrijfsintern transport. Eiseres kon en mocht niet enkel afgaan op de verklaringen van de andere partijen. Eiseres diende dus te beoordelen of er sprake was van geldige huurovereenkomsten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een dergelijk onderzoek zorgvuldig heeft verricht of laten verrichten. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de boete die verweerder heeft opgelegd evenredig is en dat de door eiseres naar voren gebrachte bijzondere omstandigheden niet dusdanig zijn dat die tot matiging aanleiding zouden moeten geven. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken