Rb. Noord-Holland 21 december 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:13357
Verweerder heeft aan eiseres (een landbouwbedrijf) boetes opgelegd voor meerdere overtredingen van de Meststoffenwet, waaronder het niet opmaken van Vervoersbewijzen Dierlijke Mest (VDM’s) en het niet bemonsteren van verschillende mesttransporten. Eiseres stelt dat geen sprake is van overtredingen omdat sprake was van bedrijfsinterne transporten. De mest werd namelijk vervoerd naar een mestput die – zo stelt zij - eiseres huurde van een derde. De rechtbank volgt dat standpunt niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht als uitgangspunt genomen dat reeds niet aannemelijk is dat de mestopslag tot het bedrijf van eiseres gerekend kan worden, omdat eiseres deze mestopslag niet in haar administratie als onderdeel van haar bedrijf heeft vermeld. Daarnaast heeft eiseres de huur niet aannemelijk gemaakt met een huurovereenkomst. De overgelegde mestopslagdocumenten zijn onvoldoende overtuigend om daar een exclusief gebruiksrecht van de mestopslag uit af te leiden. Verweerder heeft daarnaast ook terecht gesteld dat geen sprake is van huur, omdat niet is gebleken dat sprake was van exclusiviteit van het gebruik door eiseres van een van de mestputten en dat ook niet is gebleken dat sprake was van een realistische tegenprestatie. Ook heeft verweerder terecht in het bestreden besluit gesteld dat eiseres de gebruiksnorm dierlijke meststoffen, de fosfaatgebruiksnorm en de stikstofgebruiksnorm heeft overschreden. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de boete die verweerder heeft opgelegd, evenredig is. Het beroep is daarom ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl