Rb. Noord-Holland 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:9034

Eiser is via een uitzendbureau uitgeleend aan X en heeft tijdens zijn werkzaamheden bij X een bedrijfsongeval gehad, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt. In geschil is of de door eiser ontvangen vergoeding van X (na het ongeval) belastbaar is als loon uit vroegere dienstbetrekking dan wel als vergoeding voor gederfd loon. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door hem ontvangen vergoeding aangemerkt dient te worden als vrijgestelde schadevergoeding. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiser ontvangen vergoeding aangemerkt dient te worden als loon uit vroegere dienstbetrekking, dan wel als vergoeding voor gederfd of te derven loon en dus is belast. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en X. De arbeidsverhouding tussen eiser en het uitzendbureau dient te worden aangemerkt als een fictieve dienstbetrekking. Na het ongeval is van een fictieve dienstbetrekking geen sprake meer. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd, nu op verweerder de bewijslast rust of de vergoeding van X voldoende verband houdt met de arbeidsverhouding tussen eiser en het uitzendbureau, dat de vergoeding zozeer haar grond vindt in de door de eiser vervulde fictieve dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt. De aansprakelijkheid van de door eiser geleden schade houdt geen verband met enige rechtspositionele regeling tussen de betrokken partijen. De schadevergoeding is dan ook niet aan te merken als loon uit de (fictieve) dienstbetrekking. De rechtbank acht evenmin aannemelijk gemaakt dat de vergoeding moet worden aangemerkt als inkomen ter vervanging van gederfd of te derven loon. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken