Rb. Noord-Holland 26 juli 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:7399

Psychiater geniet loon dat niet opgaat in wuo; opzegging vertrouwen niet voor hele lopende belastingjaar In geschil is of de door eiser als psychiater in 2017 genoten inkomsten van een GGZ-instelling loon zijn of tot zijn winst uit onderneming behoren. Eiser is op 13 oktober 2008 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de GGZ-instelling. Eiser heeft daarnaast per 15 januari 2013 een eenmanszaak opgericht in welk kader hij als zelfstandige werkzaamheden als psychiater verricht voor andere (GGZ-)instellingen. Voor het belastingjaar 2013 heeft de inspecteur het standpunt ingenomen dat de inkomsten die eiser van de eerste GGZ-instelling geniet, winst uit onderneming zijn. Het aldus gewekte vertrouwen heeft de inspecteur bij brief van 9 augustus 2017 met ingang van 1 januari 2016 willen beëindigen. Eiser voert aan dat dat inkomsten van de eerste GGZ-instelling in het jaar 2017 tot zijn winst uit onderneming moeten worden gerekend, omdat zijn beroepsuitoefening als psychiater één bron van inkomen oplevert, omdat de rechtsverhouding tussen hem en de instelling sinds 2013 in feite niet meer een arbeidsovereenkomst is, dan wel op grond van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank Noord-Holland ziet niet in dat de aard van de rechtsverhouding tussen eiser en de eerste GGZ-instelling is veranderd doordat eiser in 2013 ook als zelfstandige is gaan werken en doordat nadien zijn arbeidsduur is verkort. De rechtsverhouding tussen eiser en de instelling heeft steeds duidelijk de kenmerken van een arbeidsovereenkomst gehad (vaste arbeidsduur, door een leidinggevende vast te stellen rooster, vast maandsalaris, CAO GGZ van toepassing, toekenning van vakantie en pensioenrechten en ontbreken recht van vervanging). Eiser loopt ook geen ondernemingsrisico in verband met zijn werkzaamheden voor die instelling. De arbeidsovereenkomst verschilt verder van de overeenkomst van opdracht die eiser heeft gesloten met een andere GGZ-instelling. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de looninkomsten van eiser niet worden geabsorbeerd door zijn winst uit onderneming, omdat de daarvoor vereiste nauwe samenhang ontbreekt. Ten slotte slaagt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel wel gedeeltelijk. Bij de beoordeling of het vertrouwen met terugwerkende kracht is opgezegd, is niet het moment van het ontstaan van de belastingschuld bepalend, maar het genieten van inkomsten van de eerste GGZ-instelling (het rechtsfeit waarop het gewekte vertrouwen betrekking had). De opzegging kan daarom niet gelden voor inkomsten die eiser voor 9 augustus 2017 heeft genoten. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken