Rb. Noord-Holland 30 juni 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:6650
De rechtbank bepaalt als een van de nevenvoorzieningen in een echtscheidingsprocedure dat de echtelijke woning (voorwaardelijk) aan de man wordt toegedeeld, waarbij aan de vrouw toekomt het vergoedingsrecht inzake de door haar ontvangen schenking en de helft van de overwaarde van de woning na aftrek van de aan partijen toekomende vergoedingsrechten. In geschil zijn de vergoedingsrechten en de toepassing van de beleggingsleer. Partijen hebben beiden vermogen geïnvesteerd in de echtelijke woning; de vrouw € 50.000 in 2012 en de man € 57.500 in 2020. Partijen zijn in 2018 in beperkte gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd en hebben later dat jaar een andere woning gekocht. De oude woning is 2019 verkocht, waarna de vrouw het door haar investering vrijgekomen bedrag van € 50.000 direct heeft geherinvesteerd in de nieuwe woning. Het gevolg daarvan is dat de vrouw vanaf het moment van die herinvestering aanspraak kan maken op toepassing van de beleggingsleer. Het huwelijk in beperkte gemeenschap brengt mee dat op haar eerdere investering in 2012 in de eerdere gemeenschappelijke woning de beleggingsleer niet van toepassing is. Voor de berekening van de waardestijging wordt uitgegaan van de aankoopprijs van de woning in 2018, vermeerderd met de CBS prijsindex bestaande koopwoningen PBK op het moment van de investeringen. De actuele verkoopwaarde van woning laten partijen taxeren.
De uitspraak op rechtspraak.nl