Rb. Noord-Holland 24 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4634
WOZ Eiser is slechts gerechtigd bezwaar te maken als de WOZ-beschikking tot hem is gericht of als een vermogensbestanddeel van hem is begrepen in het voorwerp waarop die beschikking betrekking heeft (vergelijk artikel 30, eerste lid, Wet WOZ, gelezen in verbinding met artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht). Geen van beide is het geval. Ten eerste is eiser als enkel legataris geen erfgenaam van .. Een legaat is namelijk een uiterste wilsbeschikking waarin de erflater aan een of meer personen een vorderingsrecht toekent ten laste van, in beginsel, de gezamenlijke erfgenamen (zie artikel 4:117 BW). De tot de erfgenamen van.. gerichte WOZ-beschikking is daarom niet mede tot eiser gericht. Ten tweede is ook geen vermogensbestanddeel van eiser begrepen in het voorwerp van de WOZ-beschikking. Elke aanwijzing ontbreekt dat eiser ten tijde van het nemen van de beschikking, of zelfs toen daartegen bezwaar werd gemaakt, meer had dan een recht op levering van de woning. En een recht op levering is niet het voorwerp waarop een WOZ-beschikking betrekking heeft. De situatie van eiser verschilt niet wezenlijk van die van een koper die na het sluiten van een koopovereenkomst het recht op levering van een onroerende zaak heeft verkregen. Ook die koper is niet gerechtigd bezwaar te maken tegen een WOZ-beschikking die is gericht tot de verkoper van de betrokken onroerende zaak. Omdat eiser niet gerechtigd is bezwaar te maken tegen de WOZ-beschikking, had verweerder het door eiser gemaakte bezwaar daartegen niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank zal alsnog doen wat verweerder reeds had behoren te doen (vergelijk Hoge Raad 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AT3051). Aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van eiser wordt bij deze uitkomst niet toegekomen.
De uitspraak op rechtspraak.nl