Rb. Noord-Holland 22 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3517

Eiser is in 2008 een initiatief is gestart ter verkrijging van schadevergoeding voor deelnemers van een Nederlandse loterij, omdat de loterij de winnende loten niet uitsluitend trok uit verkochte loten, maar ook uit niet-verkochte loten. Deelnemers van het collectief betaalden eenmalig inschrijfgeld en daarnaast was een ‘no cure no pay’-vergoeding overeengekomen met de deelnemers indien de procedure succesvol zou worden afgerond. Op 21 augustus 2014 is een cessie overeenkomst gesloten waarbij de rechten op ‘no cure, no pay’-vergoedingen van de deelnemers en de vorderingen op de loterij met betrekking tot buitengerechtelijke kosten, werden overgedragen aan een groepsmaatschappij gevestigd op Isle of Man, voor een bedrag van € 25.000. Vaststaat dat eiser een aanmerkelijk belang had in zijn B.V. en de B.V. en de buitenlandse groepsmaatschappij met elkaar waren verbonden als zustervennootschappen. Volgens verweerder zouden zakelijk handelende partijen aan de toekomstige ‘no cure no pay’-vergoedingen, naar de omstandigheden van dat moment, een waarde in het economisch verkeer toekennen van € 15,2 miljoen. De rechtbank oordeelt dat de B.V., met de overdracht van de vorderingen aan de groepsmaatschappij gevestigd op Isle of Man, op onzakelijke gronden ten gerieve van haar aandeelhouder, zich een voordeel heeft laten ontgaan. De onzakelijke bevoordeling kwalificeert als een verkapte winstuitdeling aan eiser. In de beroepsfase is verweerder uitgegaan van een waarde van € 13,8 miljoen en dit standpunt van berust volgens de rechtbank op een redelijke schatting. De aanslag blijft echter in stand, omdat het beroep van verweerder op interne compensatie slaagt. Op grond van een overeenkomst is in 2014 een vermogen van € 1,6 miljoen is onttrokken aan de B.V. en deze onttrekking kwalificeert als winstuitdeling aan eiser. Het beroep is ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken