Rb. Noord-Holland 22 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3516
Eiseres maakt onderdeel uit van een concern dat in 2008 een initiatief is gestart ter verkrijging van schadevergoeding voor deelnemers van een loterij, omdat de loterij de winnende loten niet uitsluitend trok uit verkochte loten, maar ook uit niet-verkochte loten. Deelnemers van het collectief betaalden eenmalig inschrijfgeld en daarnaast was een ‘no cure no pay’-vergoeding overeengekomen met de deelnemers indien de procedure succesvol zou worden afgerond. Op 21 augustus 2014 is een cessie overeenkomst gesloten waarbij de rechten op ‘no cure, no pay’-vergoedingen van de deelnemers en de vorderingen op de loterij met betrekking tot buitengerechtelijke kosten, werden overgedragen aan een groepsmaatschappij gevestigd op Isle of Man, voor een bedrag van € 25.000. Volgens verweerder zouden zakelijk handelende partijen aan de toekomstige ‘no cure no pay’-vergoedingen, naar de omstandigheden van dat moment, een waarde in het economisch verkeer toekennen van € 15,2 miljoen. De rechtbank oordeelt dat eiseres, met de overdracht van de vorderingen aan de groepsmaatschappij gevestigd op Isle of Man, op onzakelijke gronden ten gerieve van haar aandeelhouder, zich een voordeel heeft laten ontgaan. In de beroepsfase is verweerder uitgegaan van een waarde van € 13,8 miljoen en dit standpunt van berust volgens de rechtbank op een redelijke schatting. De aanslag blijft echter in stand, omdat het beroep van verweerder op interne compensatie slaagt. Op grond van een overeenkomst is in 2014 een vermogen van € 1,6 miljoen is onttrokken aan eiseres. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 24 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 149 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 11 AWR
- Artikel 16 AWR
- Artikel 27e AWR
- Artikel 47 AWR
- Artikel 52 AWR
- Artikel 8 Vpb
- Artikel 8b Vpb
- Artikel 10 Vpb
- Artikel 6:97 BW6
- Artikel 6:98 BW6
- Artikel 6:100 BW6
- Artikel 7:685 BW7
- Artikel 10:3 Awb
- Artikel 3.8 Wet IB 2001
- Artikel 3.25 Wet IB 2001
- Artikel 4.12 Wet IB 2001
- Artikel 4.43 Wet IB 2001
- Artikel 1 Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Overijssel 27 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4857
- HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963
- Hof 's-Hertogenbosch 7 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1199
- HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140
- Hof Den Haag 8 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3289
- HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2389
- Rb. Den Haag 13 december 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:14512
- Rb. Den Haag 10 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:2718
- Rb. Noord-Holland 30 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:5331
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- Rb. Den Haag 3 februari 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:1207
- Hof Amsterdam 22 december 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:5420
- HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643
- HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:178
- HR 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2146
- HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:31
- HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665
- HR 22 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0663
- HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083
- HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0896