Rb. Noord-Holland 22 april 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3384
Vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het uitbreiden en wijzigen van een melkrundveehouderij. Bemesten, mestopslag en beweiden. Emissiefactor Regeling ammoniak en veehouderij. Tussen partijen is niet in geschil dat de emissies die optreden ten gevolge van het beweiden niet zijn betrokken bij de beoordeling. Volstaan is met meenemen van het positieve effect van beweiden op de stalemissie door een reductie op die stalemissie toe te passen van 5%, maar de emissie van het beweiden zelf en de mogelijke depositie van stikstof ten gevolge daarvan op N2000-gebieden is niet beoordeeld. Door het Adviescollege Stikstofproblematiek wordt in het rapport van 19 december 2019 over beweiden geconcludeerd “dat deze activiteit een positief effect heeft, zowel in de stal als in de wei. De ammoniakemissie bij beweiden van vee is de facto generiek lager dan bij niet-beweiden van vee. Voor beweiden geldt in alle gevallen dat de feitelijke situatie gunstiger is dan de vergunde situatie. De depositie van stal en bemesten gezamenlijk neemt af als beweiding plaatsvindt (in vergelijking met de situatie waarbij koeien op stal staan en de mest wordt uitgereden). Deze conclusie geldt zonder uitzondering, dus ook voor beweiding dichtbij Natura 2000-gebieden.” Anders dan verweerder aanneemt, volgt uit deze conclusie van het Adviescollege niet dat ten aanzien van de voorliggende vergunning zonder nadere beoordeling van de emissie door het beweiden kan worden geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van toename van emissie en depositie door het beweiden. Aangenomen dat de emissie en depositie van stal en bemesten gezamenlijk afneemt als er wordt beweid, ziet de vergunning die ter beoordeling voorligt immers alleen op de stallen en het beweiden, en niet ook op het bemesten. Alleen al om die reden kan niet worden geconcludeerd dat significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Immers het positieve effect van beweiden op de emissie van het weiland in vergelijking met bemesten van het weiland anders dan door beweiden, wordt bij deze beoordeling niet betrokken. Dat brengt mee dat de rechtbank verweerder ook niet kan volgen in zijn standpunt dat het niet uitmaakt op welke afstand van de N2000-zone beweiding plaatsvindt. Bovendien zullen meer melkkoeien worden beweid dan in de referentiesituatie. Ook om die reden hadden de gevolgen van de toename van het beweiden per locatie van de te beweiden percelen bij de beoordeling moeten worden betrokken. Door dit niet te doen heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Uit artikel 2.8, derde lid, van de Wnb volgt dat verweerder uitsluitend bevoegd is vergunning te verlenen op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb voor een project indien de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van een N2000-gebied niet zal aantasten. Dit betekent – in dit geval – dat de zekerheid moet bestaan dat de ammoniakemissie van de vergunde stal met het stalsysteem BWL 2015.05.V1 met Rav-code A.1.28 niet meer bedraagt dan 6,0 kg per dierplaats per jaar, omdat (onder meer) met die emissiefactor is gerekend bij het bepalen van de stikstofdepositie die het project veroorzaakt. De uitkomst van (mede) die berekening is bepalend voor het antwoord op de vraag of de natuurlijke kenmerken van een N2000-gebied als gevolg van het project worden aangetast of niet. Reeds uit het meetrapport blijkt echter dat de ammoniakemissie van een stal met het stalsysteem BWL 2015.05.V1 met Rav-code A.1.28 hoger kan zijn dan 6,0 kg per dierplaats per jaar, namelijk (gemiddeld) 6,49 kg per dierplaats per jaar. Mogelijk blijkt uit de overige drie meetrapporten dat dit gemiddelde op andere meetlocaties getal nog hoger ligt, maar verweerder heeft geen inzicht verschaft in de resultaten van die meetrapporten. Bij de beoordeling van de aanvraag om een Wnb-vergunning heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het stringente toetsingskader van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb, in dit geval niet zonder meer kunnen aansluiten bij de in Rav-code A.128 vermelde emissie van 6,0 kg per dierplaats per jaar. Verweerder moet namelijk om voornoemde zekerheid te kunnen verkrijgen, kunnen uitsluiten dat de in geding zijnde stal meer ammoniakemissie veroorzaakt dan de gemiddelde 6,0 kg per dierplaats per jaar. Vergunningverlening in het kader van de Wnb leent zich, anders dan milieuvergunningverlening in het kader van de Wav in beginsel niet voor het werken met gemiddelden en evenmin voor eindafronding van de emissiefactor op hele cijfers. De emissiefactoren die in de Rav zijn opgenomen kunnen in het kader van de Wnb als uitgangspunt gelden, maar daarvan moet omwille van het stringente toetsingskader zo nodig worden afgeweken. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend door, hoewel uit in ieder geval het ingebrachte meetrapport blijkt dat de ammoniakemissie van de stal meer dan 6,0 kg per dierplaats per jaar kan bedragen, voor de stikstofdepositieberekeningen uit te gaan van de (gemiddelde) emissiefactor van 6,0 kg per dierplaats per jaar zoals opgenomen in de Rav.
De uitspraak op rechtspraak.nl