Rb. Noord-Holland 9 december 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:11064

Verzoek om handhaving. Last strekkende tot het ongedaan maken van een overtreding versus preventieve last. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen last strekkende tot het ongedaan maken van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan derde-partij heeft kunnen opleggen voor zover het gaat om volgens verweerder beoogd gebruik van de bouwwerken dat in strijd is met het bestemmingsplan. De bouwwerken worden op dit moment nog niet gebruikt. Het gaat om het toekomstig gebruik dat van de bouwwerken gaat worden gemaakt. In dat geval kan naar zijn aard geen last strekkende tot het ongedaan maken van een overtreding worden opgelegd als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar ten hoogste een last ter voorkoming van een overtreding als bedoeld in artikel 5:7 van de Awb (een preventieve last), mits van een dreigende overtreding sprake is en geen sprake is van omstandigheden die nopen tot het afzien van handhavend optreden. De verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2779 kan hem niet baten. De daarin uitgezette lijn over het toetsen van beoogd gebruik aan een bestemmingsplan is van toepassing op aanvragen om omgevingsvergunningen en niet op handhavingszaken als de onderhavige. Doortrekken van de lijn uit genoemde uitspraak op handhavingszaken zou er immers op neerkomen dat verweerder een last strekkende tot het ongedaan maken van een overtreding zou kunnen opleggen ten aanzien van beoogd gebruik, terwijl dat gebruik op dat moment nog niet plaatsvindt en niet te staken valt. Dat kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling zijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken