Rb. Noord-Holland 15 oktober 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:9061
Met dagtekening 8 februari 2019 is aan eiser de aanslag IB voor het jaar 2015 opgelegd. Na een boekenonderzoek wordt aan eiser met dagtekening 13 april 2019 een navorderingsaanslag opgelegd. Op 25 september 2019 maakt eiser bezwaar tegen de navorderingsaanslag. Dit bezwaar wordt door verweerder wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, maar tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering van die aanslag. Dit verzoek wordt door verweerder afgewezen. Eiser komt in beroep. De rechtbank oordeelt dat voor zover het beroep moet worden aangemerkt als gericht tegen de primitieve aanslag, het wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is. Voor zover het beroep is gericht tegen de navorderingsaanslag oordeelt de rechtbank dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat die aanslag ten tijde van het indienen van het bezwaar nog niet was opgelegd. De daartegen gerichte beroepsgronden van eiser wijst de rechtbank op feitelijke gronden af. Voor zover het beroep is gericht tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering oordeelt de rechtbank op feitelijke gronden dat de aanslag niet naar een te hoog bedrag is opgelegd. Het beroep is dus op alle onderdelen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl