Rb. Noord-Holland 24 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7908
Last onder dwangsom. In geschil is onder meer of voor het verwijderen door eiseres van een brandwerende wand in een winkelpand in een winkelcentrum een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist. Het verwijderen van de wand is aan te merken als bouwen en als het veranderen van een bouwwerk. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is daarvoor niet vereist, indien (onder meer) geen sprake is van een verandering van de brandcompartimentering. De rechtbank is gelet op wat op de tekeningen behorende bij de voor de supermarkt verleende bouwvergunning en een daarbij behorend besprekingsverslag is vermeld van oordeel, dat de gedeeltes “Supermarkt 1.550 m2” en “Luxe en huishoudartikelen 496 m2” binnen het gebouw elk als een brandcompartiment zijn aan te merken. De rechtbank overweegt daartoe dat de twee ruimtes worden begrensd door een wand (scheidingsconstructie) die blijkens de aanduiding “60” op basis van de bouwvergunning een WBDBO van 60 minuten dient te bezitten en daarmee de voortplanting van brand en rook naar aanliggende compartimenten gedurende een bepaalde tijd dient te beletten. Uit het besprekingsverslag valt daarnaast af te leiden dat uitgangspunt is geweest dat de verschillende winkels binnen het gebouw een brandcompartimentgrootte van in beginsel 1.000 m2 hebben (de destijds geldende grenswaarde) en dat deze, onder omstandigheden, kan worden vergroot. Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank op te maken dat bij de bouwvergunningverlening is beoogd de verschillende winkels als afzonderlijke brandcompartimenten in te richten en aan te merken. Als gevolg van het verwijderen van de wand door eiseres is dus sprake geweest van een verandering van de brandcompartimentering. De brandcompartimentering is als gevolg van het verwijderen van de wand vergroot. Voor het verwijderen van de wand was dan ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vereist. Er zijn geen (bijzondere) omstandigheden op basis waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien.
De uitspraak op rechtspraak.nl