Rb. Noord-Holland 31 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7516

Verweerder heeft aan eiser een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ verleend voor de duur van vijf jaar. De rechtbank oordeelt om te beginnen dat eiser procesbelang heeft bij het ingestelde beroep tegen de geldigheidsduur van het verblijfsdocument. Ten eerste omdat verweerder bij de vervanging van het verblijfsdocument zal toetsen of eiser nog voldoet aan de voorwaarden voor duurzaam verblijf als burger van de Unie, terwijl die toets bij de door eisers gewenste geldigheidsduur van het document pas na 10 jaar wordt verricht. Daarnaast heeft eiser belang bij een langere geldigheidsduur van het verblijfsdocument gelet op de kosten die verbonden zijn aan vervanging van het document. Verder oordeelt de rechtbank dat artikel 20, eerste lid, laatste volzin van de Verblijfsrichtlijn er niet aan in de weg staat dat verweerder de geldigheidsduur van de verblijfskaart van de vreemdeling die, zoals eiser, ten tijde van de verlening van het verblijfsdocument nog minderjarig is, gelijk stelt met de duur van verblijfsdocumenten zoals die op grond van het nationale recht aan minderjarigen met de Nederlandse nationaliteit worden verstrekt. Dat in de laatste volzin van artikel 20, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, is bepaald dat de duurzame verblijfskaart om de tien jaar automatisch hernieuwbaar is, sluit immers niet uit dat de verblijfskaart niet op een eerder moment ook hernieuwbaar is. Daarbij komt dat de rechtbank de ratio achter de geldigheidsduur van de verblijfskaart voor minderjarigen, namelijk dat het gezicht van een kind of jongvolwassene in relatief korte tijd kan veranderen, kan volgen. Gelet op die ratio is het leeftijdsonderscheid dat wordt gemaakt in de geldigheidsduur van de verblijfskaarten van duurzaam verblijvende burgers van de Unie ook een gerechtvaardigd onderscheid. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen