Rb. Noord-Holland 4 juni 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11050
WAHV, De Nota van toelichting bij artikel 4.7 van het Voertuigreglement luidt, voor zover van belang, als volgt: “De uitzonderingen in artikel 4.7 strekken ertoe degene die voor zijn voertuig een (nieuw) keuringsbewijs behoeft doch dit niet bijtijds heeft verkregen, twee maanden respijt te gunnen gedurende welke periode hij zijn voertuig nog op de weg mag laten staan zonder dat daarvoor een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheid niet is verstreken. Hieraan kan met name behoefte bestaan, indien een voertuig korte tijd voordat het (opnieuw) moet worden gekeurd bij een aanrijding is betrokken met als gevolg dat het eerst moet worden gerepareerd alvorens het (weer) kan worden goedgekeurd.” Gelet op deze toelichting heeft de regelgever met de invoering van deze uitzondering op de keuringsplicht het oog gehad op gevallen, waarin de kentekenhouder het motorrijtuig niet tijdig kan laten keuren door onvoorziene omstandigheden, zoals een ongeval met het motorrijtuig vlak voor het verstrijken van de geldigheid van het keuringsbewijs. Naar het oordeel van de kantonrechter kan onderhavige situatie daarmee niet gelijkgesteld worden. Immers, van een zodanige onvoorziene omstandigheid is in het geheel geen sprake ingeval het kenteken van een voertuig is geschorst.
De uitspraak op rechtspraak.nl