Rb. Noord-Holland 23 januari 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:801

Pgb, opschorting en intrekking, zorgverlener belanghebbende? De besluiten hebben voor eiseres – evenals in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:669) – directe verstrekkende financiële gevolgen gehad. Dat deze gevolgen uitsluitend voortvloeien uit de contractuele relatie tussen eiseres en haar cliënten zoals bedoeld in vuistregel 4 – zoals door verweerder is gesteld – volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de financiële gevolgen veroorzaakt door het besluit van verweerder om in één keer van alle cliënten van eiseres het pgb op te schorten en in te trekken. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit dat aan deze besluiten het fraudeonderzoek naar eiseres ten grondslag heeft gelegen en niet – zoals verweerder heeft gesteld – het handelen van de afzonderlijke budgethouders. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres door de opschortings- en intrekkingsbesluiten direct is geraakt in haar vermogenspositie, en zij daarom belanghebbende is bij die besluiten. Daaruit volgt ook dat het afgeleid belang zoals bedoeld in vuistregel 3 niet aan eiseres moet worden tegengeworpen. Daar komt nog bij dat de reële mogelijkheid bestaat dat eiseres door de besluiten is of wordt geschaad in het door artikel 8 van het EVRM verleende recht op bescherming van haar reputatie en eer en goede naam. Verweerder heeft eiseres ten onrechte niet als belanghebbende bij de primaire opschortings- en intrekkingsbesluiten aangemerkt. Het beroep is daarom gegrond. De bestreden besluiten moeten worden vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken