Rb. Noord-Holland 3 september 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7936

B&w hebben aan de derde-partij een (legalisatie)omgevingsvergunning verleend voor de activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan voor een blokhut in de achtertuin. Eisers zijn buren van derde-partij. De blokhut is geplaatst op 30 cm van erfgrens. Eisers hebben een (bedrijfs)pand op hun perceel tegen die erfgrens. In dat pand zijn op 1,90 tot 2,65 m hoogte kozijnen aangebracht. Eisers voeren aan dat zij door verjaring het recht hebben verworven die vensters/openingen daar te hebben. De strijd met het bestemmingsplan bestaat daar uit dat de punt van de (zijgevel) van de blokhut op die afstand van de erfgrens maximaal 3.14 m hoog mag zijn, maar daar 0,76 bovenuit steekt. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering van het recht van eisers om daar vensters/openingen te hebben, reeds omdat niet evident sprake is van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 5:50, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek. De daarop gebaseerde beroepsgrond van eisers treft daarom geen doel. Het betoog van eisers dat de blokhut niet zou voldoen aan brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit, valt buiten de beoordeling omdat alleen verlening van een omgevingsvergunning in verband met strijd met het bestemmingsplan aan de orde is. Voorts heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom ongegrond en de vergunning blijft in stand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken