Rb. Noord-Holland 19 juli 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:6454
De rechtbank vermindert de verzamel-utb voor definitieve antidumpingrechten en definitieve compenserende rechten omdat commerciële documenten bij het ontbreken van een koppeling tussen de L1-invoeraangifte en de D5-uitvoeraangifte onvoldoende bewijs vormen om de oorsprong China aannemelijk te achten. Een deel van de utb blijft in stand. Het ontbreken van brondocumenten of het feit dat sommige importreferentienummers in meerdere D5-uitvoeraangiften voorkomen én dat bepaalde gegevens aan de importkant ontbreken, is onvoldoende om de bevindingen van de OLAF terzijde te stellen. Voorts heeft verweerder de door eiseres opgeroepen twijfel aangaande de juistheid van de onderzoeksgegevens op basis van scheepsbewegingen weggenomen. Ook heeft verweerder eiseres terecht als schuldenaar aangemerkt. Met betrekking tot het betoog van eiseres dat de OLAF niet bevoegd was tot onderzoek in Taiwan overweegt de rechtbank dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de vermelding in het missierapport dat de Taiwanese autoriteiten hebben ingestemd met de missie. De rechtbank merkt ten overvloede op dat eiseres zich óók niet met succes kan beroepen op de vermeende onbevoegdheid van de OLAF, omdat zij daardoor niet rechtstreeks in haar belangen is geschaad (de zogenaamde Schutznorm).
De uitspraak op rechtspraak.nl