Rb. Noord-Holland 18 december 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:10341
Binnen de SP is het gebruikelijk dat de vergoeding voor de statenleden op de rekening van de landelijke SP wordt gestort. Om die doel te bereiken worden overeenkomsten van cessie opgesteld waarin het overheidsorgaan, in dit geval de provincie NH, wordt verzocht de gehele vergoeding over te maken op rekening van de landelijke SP in plaats van op de bankrekening van het statenlid. In deze zaak gaat het om de vraag of de provincie NH verplicht kan worden om die vergoeding op de rekening van de SP te storten. Als een volksvertegenwoordiger een vergoeding niet meer van de overheid maar van een politieke partij ontvangt wordt diegene daarmee financieel afhankelijk van de partij. Net zoals een werknemer dat van zijn werkgever is. De overheid zou dan meewerken aan het veroorzaken van een afhankelijkheidsrelatie tussen volksvertegenwoordiger en partij. Dat is in strijd met het uitgangspunt in het Nederlandse staatsrecht dat de volksvertegenwoordiger zonder last of ruggespraak moet kunnen functioneren. Het betalen van de statenlidvergoeding aan de politieke partij kan de onafhankelijkheid van het statenlid in gevaar kan brengen. Om die reden wordt geoordeeld dat de overeenkomst van cessie in strijd is met de openbare orde en derhalve nietig. Zie ook ECLI:NL:RBMNE:2017:843
De uitspraak op rechtspraak.nl