Rb. Noord-Holland 10 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:7027
Kort geding. Vordering tot het verkrijgen van toegang van de bank tot het onderpand in verband met bezichtigingen. De bank heeft geen belang bij haar vordering voor zover zij beoogt een machtiging ex artikel 3:267a lid 3 BW te krijgen. In dit artikel wordt de hypotheekgever verplicht om belangstellenden de gelegenheid te geven de onroerende zaak te bezichtigen, zonder dat daarvoor een door de rechter af te geven machtiging is vereist. Voor zover de vordering moet worden aangemerkt als een vordering tot het geven van machtiging tot binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners, overweegt de voorzieningenrechter dat de in artikel 3:267a BW opgenomen machtiging niet wegneemt dat het huisrecht en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de hypotheekgever bij het afdwingen van de bezichtigingsverplichting in het geding kan zijn. Artikel 3:267a BW in samenhang met artikel 12 Grondwet en artikel 2 Awbi levert geen bevoegdheid op voor de hypotheekhouder en/of belangstellenden om de onroerende zaak zonder toestemming van de bewoner te betreden. De vordering van de bank komt de voorzieningenrechter op dit punt onrechtmatig of ongegrond voor en wordt afgewezen. Overweging ten overvloede waarin alternatieven worden genoemd om alsnog te bewerkstelligen dat de onroerende zaak kan worden bezichtigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl