Rb. Noord-Holland 4 april 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:5344

Afstamming, IPR, voorvraag huwelijk, 10:31 en 10:32 BW, 10:95 BW en 10:97 BW Het huwelijk van de moeder, gesloten in Eritrea, is ten onrechte opgenomen in de basisregistratie personen. Na het opnemen van een verklaring onder ede dient de ambtenaar ambtshalve te onderzoeken of het in de verklaring opgenomen huwelijk voor erkenning in aanmerking komt, met inachtneming van de artikelen 10:31 BW en 10:32 BW. Er is in dit geval geen familierechtelijke betrekking tot stand gekomen met de huwelijkse man. De totstandbrenging van een familierechtelijke betrekking tussen de biologische vader en de kinderen door middel van erkenning is niet meer mogelijk. De rechtbank acht het echter wel in het belang van de kinderen dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank gaat over tot het behandelen van de verzoeken van de moeder en de bijzondere curator tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man met betrekking tot de kinderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen