Rb. Noord-Holland 22 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2618
Afwijzing aanvragen om vergoeding van schade als gevolg van de inwerkingtreding van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol in 2003, 2004 en 2008 (Lvb 2003, Lvb 2004 en Lvb 2008). Tevens verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij het nemen van haar besluit op het verzoek om schadevergoeding van eiser vanwege de inwerkingtreding van het Lvb 2003 en Lvb 2004 heeft verweerster mogen uitgaan van het onderzoeksrapport en de adviezen van de Adviescommissie. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren gebracht. In haar onderzoeksrapport van 6 april 2012 heeft de Adviescommissie geconcludeerd dat zich ten aanzien van de invloed van geluid op de waarde van woningen in de gemeente waarin eiser woonachtig is rond de luchthaven Schiphol bij mutaties onder geluidwaarden van 35 Ke geen effect op de waarde van de woningen laat vaststellen. Het eerst ter zitting gedane verzoek van eiser om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is niet in strijd met de goede procesorde, omdat zo een verzoek ter zitting kan worden gedaan, indien, zoals ook in dit geval, voor de sluiting van het onderzoek ter zitting reeds sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volgt niet verweersters betoog dat de redelijke termijn is aangevangen op 24 april 2014. Het daartoe aangevoerde geeft geen grond af te wijken van de vaste rechtspraak van de Afdeling dat die termijn aanvangt op de dag na ontvangst van het bezwaarschrift, te weten op 18 juni 2007. Verweerster stelt zich verder op het standpunt dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase gerechtvaardigd is. Zij voert daartoe aan dat sprake is van een ingewikkelde zaak, dat eiser er zelf mee heeft ingestemd dat bij het bestreden besluit ook op het verzoek om schadevergoeding wegens de inwerkingtreding van het Lvb 2008 zou worden beslist, dat eiser niet heeft aangedrongen op spoedige besluitvorming en dat eiser gedurende de procedure twee keer om uitstel heeft gevraagd bij het geven van een reactie op nadere adviezen. De rechtbank volgt verweerster niet in haar standpunt. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase met zeven jaar en acht maanden volledig aan verweerster is toe te schrijven. De rechtbank veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van een vergoeding voor immateriële schade van € 8.000,00.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- Rb. Noord-Holland 8 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6698
- ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1299
- ABRvS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:246
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252
- ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:572
- ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188
- ABRvS 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1821
- ABRvS 9 april 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC9040
- ABRvS 5 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB9458