Rb. Noord-Holland 11 december 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:10749
Cold case-onderzoek. De rechtbank Noord-Holland heeft een 48- jarige verdachte veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf voor het in 1992 om het leven brengen van een jonge vrouw. Met zijn daad heeft de man willen voorkomen dat hij voor haar gewelddadige verkrachting zou worden bestraft. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie De rechtbank is van oordeel dat het recht tot strafvordering voor de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en de onder 2 ten laste gelegde verkrachting sinds 9 juni 2012 is verjaard. Daarmee is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging met betrekking tot die feiten. Het verweer van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat sprake zou zijn van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, wordt door de rechtbank in al zijn onderdelen verworpen. Bewezenverklaring Begin juni 1992 werd het stoffelijk overschot van het slachtoffer aangetroffen in een vijver bij de kerk aan de Veldbloemenweg in Zaandam. Zij bleek door steekverwondingen om het leven te zijn gebracht. Op diverse plaatsen in haar lichaam werden spermasporen aangetroffen. Eerdere uitgebreide rechercheonderzoeken hadden niet geleid tot het vinden van de dader. Door de voortschrijdende ontwikkelingen op het gebied van DNA-onderzoek kon in het najaar van 2017 een grootschalig DNA-verwantschapsonderzoek worden uitgevoerd. Verdachte was één van de twee mannen die heeft geweigerd aan dit onderzoek deel te nemen. Doordat zijn broer wel DNA heeft afgestaan, heeft het onderzoek - in combinatie met andere informatie - toch geleid tot zijn aanhouding. In Nederland is het de eerste keer dat DNA-verwantschapsonderzoek via een familielid tot het identificeren van een verdachte heeft geleid. De rechtbank stelt vast dat de spermasporen die op meerdere plaatsen in het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen toebehoren aan verdachte, terwijl op geen enkele wijze is gebleken van tactische en/of technische aanwijzingen die erop duiden dat een ander persoon de verkrachting heeft gepleegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de spermasporen met betrekking tot deze verkrachting als dadersporen moeten worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat het zeden- en levensdelict bij elkaar horen als een samenhangend complex van handelingen. Dit rechtvaardigt de conclusie dat de aangetroffen spermasporen, toebehorende aan verdachte, eveneens dadersporen zijn met betrekking tot het levensdelict. De conclusie luidt dan ook dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft verkracht en gedood. Met zijn daad heeft verdachte willen voorkomen dat hij voor haar gewelddadige verkrachting zou worden bestraft. Aldus heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. De verklaring van verdachte dat zijn sperma is aangetroffen omdat hij destijds een geheime (seksuele) relatie met het slachtoffer had, wordt door de rechtbank niet gevolgd en is ook niet aannemelijk geworden. Straf Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Benadeelde partij De oudste zus van het slachtoffer heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Onder de in 1992 geldende wet was een maximale schadevergoeding van fl. 1500,--, omgerekend € 680,67 mogelijk. Dit bedrag wijst de rechtbank toe. Ook krijgt zij reis- en proceskosten vergoed.
De uitspraak op rechtspraak.nl