Rb. Noord-Holland 31 oktober 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:9753

Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door de werkgever in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW. Daartoe wordt het volgende overwogen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de kantonrechter af dat de werknemer, behoudens het slaan van een student op de billen met een boek, heeft erkend dat gedragingen die de werkgever hem verwijt, hebben plaatsgevonden. De werknemer heeft uitgelegd in welke context de gedragingen die het de werkgever hem verwijt hebben plaatsgevonden. Deze uiteenzettingen zijn door de werkgever niet gemotiveerd betwist. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op deze context, behoudens drie hierna te bespreken uitlatingen, niet is komen vast te staan dat de werknemer voornoemde codes heeft geschonden. Hoewel naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van verwijtbaar gedrag van de werknemer is dit niet zodanig dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de werkgever kan worden verlangd. De kantonrechter heeft bij dit oordeel betrokken het feit dat de werknemer – anders dan de werkgever stelt – nadat hij met de uitkomsten van het eerste onderzoek is geconfronteerd, heeft aangegeven dat hij zijn spreekstijl en zijn houding zal aanpassen door meer zakelijker te zijn (zie vierde pagina, vijfde alinea van het verslag van het gesprek van 22 juni 2017). Gelet hierop valt niet in te zien op grond waarvan de werkgever niet tot een minder ingrijpende maatregel dan ontslag is overgegaan, zoals bijvoorbeeld een waarschuwing of herplaatsing. Ter zitting is van de zijde van de werkgever bevestigd dat herplaatsing in een ander team of lesgeven aan klassen met voornamelijk jongens op zichzelf mogelijk is. Verder is aangegeven dat ook ander werk dan lesgeven beschikbaar is bij de werkgever, zij het in beperkte mate. De werknemer heeft aangegeven daarvoor open te staan en dat hij daarover op 15 mei 2017 een gesprek zou aangaan met zijn leidinggevende. Dit gesprek is echter niet doorgegaan vanwege de klacht van 11 mei 2017. Ook andere persoonlijke omstandigheden zijn meegewogen zoals onder meer het feit dat werknemers 25 jaar in dienst is en er nog nooit klachten van dezelfde aard zijn geweest. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de zogenoemde e-grond dan wel d-grond toe te wijzen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding de arbeidsovereenkomst te onbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Gelet op de stukken en hetgeen is besproken ter zitting komt de kantonrechter tot de conclusie dat het de werkgever na de klacht van mei 2017 de insteek heeft gehad het 25-jarige dienstverband met de werknemer te beëindigen en niet heeft open gestaan voor andere oplossingen, die wel voorhanden waren. Hierdoor heeft de werkgever de verhoudingen dusdanig op scherp gesteld dat er inmiddels sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, hetgeen haar is te verwijten. Transitievergoeding en billijke vergoeding worden toegekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken