Rb. Noord-Holland 5 januari 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:944

De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar is na afloop van die tijd van rechtswege voortgezet voor een jaar, op grond van artikel 7:668 lid 4, onderdeel a, BW, omdat de werkgever de aanzegverplichting niet is nagekomen en er feitelijk na het einde van de arbeidsovereenkomst (korte tijd) is doorgewerkt. De rechtspraak over een voorzetting van de arbeidsovereenkomst ‘zonder tegenspraak’ is in dat geval niet van toepassing. Partijen kunnen daarna in beginsel overeenkomen dat een nadere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan, waarin alsnog een kortere duur wordt overeengekomen; de bewijslast dat in dit geval een dergelijke nadere overeenkomst voor een half jaar is aangegaan rust op de werkgever. De aanzegging door de werkgever van het einde van de gestelde nadere arbeidsovereenkomst van een half jaar, kon en mocht door de werknemer in dit geval worden opgevat als een opzegging, omdat de werknemer al vóór de aanzegging aan de werkgever had laten weten dat hij betwistte dat een nadere arbeidsovereenkomst voor een half jaar was aangegaan. De werknemer kan wat betreft het verzoek ten aanzien van achterstallig loon niet volstaan met verwijzing naar een overgelegde productie en een “grove” en “globale berekening”, gelet op artikel 278 lid 1 Rv en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999: ZC2810, NJ 1999/342.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken