Rb. Noord-Holland 1 september 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:7958
Verweerder heeft bij het bestreden besluit voor het jaar 2016 een vergoeding voor 121,5 uur voor de kosten van een schrijftolk in verband met het uitvoeren van haar werkzaamheden in de huisartsenpraktijk en het onderwijs toegekend. Verweerder heeft bij datzelfde besluit een vergoeding van de kosten van een schrijftolk in verband met het volgen van een HBO-opleiding tot praktijkondersteuner afgewezen omdat hij daartoe niet bevoegd is. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de reeds aan eiseres toegekende uren gebruikt mogen worden voor de inschakeling van een schrijftolk bij het volgen van scholing. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres de schrijftolk alleen nodig heeft voor haar opleiding en dat het toegekende aantal uren van 121,5 toereikend is voor het volgen van het eerste schooljaar. Voor het eerst in beroep heeft verweerder erkend dat betrokkenen zoals eiseres die al werk hebben, onder toepassing van artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit, in aanmerking kunnen komen voor een schrijftolk voor het volgen van scholing waarover werkgever en werknemer afspraken hebben gemaakt. Eiseres mag deze uren gebruiken voor het volgen van een opleiding. De uren vallen binnen de in artikel 7, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit gestelde grens van 15%, waardoor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule in zoverre niet meer relevant is. De overige beroepsgronden kunnen buiten bespreking blijven. Motiveringsgebrek is hersteld. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn in stand gelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl