Rb. Noord-Holland 30 mei 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:5509
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op 8 december 2011 bij verweerder een aanvraag heeft ingediend voor verlening van een vergunning voor een terras op de middenberm en dat daarop niet binnen de daarvoor geldende termijn van acht weken is beslist. Het besluit deze aanvraag af te wijzen is genomen op 8 mei 2016. In geschil is of door het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 8 december 2011 een vergunning van rechtswege is ontstaan. Voor beantwoording van die vraag moet de rechtbank beoordelen of de regeling omtrent de vergunning van rechtswege (lex silencio positivo) van toepassing is op de aanvraag van eiseres. De rechtbank stelt vast dat de gevraagde vergunning voor het terras op de middenberm een vergunning is als bedoeld in de Dienstenwet, die krachtens de Gemeentewet (op grond van de APV) wordt verleend. Op grond van artikel 65 van de Dienstenwet is artikel 28 van de Dienstenwet tot 1 januari 2012 niet van toepassing op dergelijke vergunningen. Tot 1 januari 2012 is op aanvragen om dergelijke vergunningen, ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb, de lex silencio positivo eerst van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. In de APV is daarin vòòr 1 januari 2012 niet voorzien. Vanaf 1 januari 2012 geldt dus op grond van artikel 28 van de Dienstenwet voor aanvragen als de voorliggende dat de regeling omtrent de vergunning van rechtswege (lex silencio positivo) van toepassing is, tenzij deze is uitgezonderd. In de APV, geldend vanaf 1 januari 2012, is de regeling niet uitgezonderd. De rechtbank stelt met eiseres vast dat niet is voorzien in een overgangsregeling voor aanvragen die al waren ingediend op het moment van inwerkingtreding van artikel 28 van de Dienstenwet, 1 januari 2012, maar waarop nog niet was beslist. Indien eiseres zou worden gevolgd in haar betoog dat artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet met de inwerkingtreding op 1 januari 2012 ook betrekking heeft op lopende aanvragen, dan heeft dat tot gevolg dat vóór het moment van inwerkingtreding ingediende aanvragen onder de werking van de lex silencio positivo zouden worden gebracht. Dat zou dan betekenen dat artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet ten aanzien van eiseres (en anderen in een vergelijkbare positie) eerder in werking is getreden dan in artikel 65 van de Dienstenwet is bepaald. Reeds gelet daarop, kunnen de artikelen 28 en 65, in onderlinge samenhang bezien, niet anders begrepen worden dan betrekking hebbend op aanvragen ingediend op of na 1 januari 2012. Het betoog van eiseres ter zitting dat de regeling ten tijde van het besluit van 18 mei 2016 van kracht was en op grond van de te verrichten ex-nunc toetsing toegepast diende te worden, kan ook niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De te verrichten ex-nunc toetsing kan er niet toe leiden dat de lex silencio positivo eerder in werking treedt dan in artikel 65 van de Dienstenwet is bepaald. Indien en voor zover eiseres daarmee nog bedoeld zou hebben dat de beslistermijn pas met ingang van 1 januari 2012 is gaan lopen, wordt zij ook daarin niet gevolgd, nu voor de vergunning van rechtswege de datum van indiening van de aanvraag bepalend is en niet het moment van inwerkingtreding van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet. Het betoog van eiseres dat sprake is van een vergunning van rechtswege wordt dan ook verworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl