Rb. Noord-Holland 30 november 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:9877

Oplichting woningbouwstichting door voormalig bestuurder en handlangers. Aansprakelijkheid handlanger en meeloper. Groepsaansprakelijkheid. Doorwerking onderscheiden strafrechtelijke oordelen op civielrechtelijke aansprakelijkheid. Toewijzing schadevergoeding van ca 20 mln. De strafrechter heeft overwogen dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeerden en dat de feitelijke werkzaamheden van de organisatie waren gericht op het onttrekken van gelden aan het vermogen van de woningbouwstichting door middel van oplichting en het verdelen van deze gelden onder verdachten door middel van valsheid in geschrift en witwassen, hetgeen gebeurde in de periode 2005 t/m 2010 volgens een vast patroon. De bestuurder en de in dit geding gedaagde handlanger waren de oprichters van de criminele organisatie. Bij die stand van zaken is evident dat de kans op het ontstaan van de concrete schade die de woningbouwstichting door het handelen van de groep heeft geleden de bestuurder en zijn handlangers had moeten weerhouden van het optreden in groepsverband. De samenwerking was er immers op gericht om de woningbouwstichting vermogensschade toe te brengen. Verder is evident dat de handlanger als een van de twee primair leidinggevenden aan de gedragingen van de groep wetenschap had van de kans op het ontstaan van die schade. Dat brengt mee dat niet van belang is of het verbod op het plegen van valsheid in geschrift en witwassen al of niet (mede) de strekking heeft om schade als hier geleden te voorkomen. Het handelen van de bestuurder en de handlanger kwalificeerde ook als oplichting en het optreden van de groep als geheel, een samenstel van onderling afgestemde feitelijke gedragingen, strekte wel degelijk tot het toebrengen van deze schade. Het is dat optreden dat onrechtmatig wordt geacht. De strafrechter heeft niet bewezen geacht dat de meeloper wetenschap had van strafbare gedragingen van de rechtspersonen die zij op aandringen van de handlanger (haar echtgenoot) bestuurde en dus ook niet dat zij die verboden gedragingen en daarmee een aanmerkelijke kans op enig strafbaar handelen heeft aanvaard. Ook achtte de strafrechter niet bewezen dat zij wist of moest weten dat het op haar naam staande pand gefinancierd werd met vermogen dat mogelijk uit misdrijf afkomstig was. In dat licht bezien acht de rechtbank tegenover betwisting onvoldoende onderbouwd dat de meeloper wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals die in concreto is geleden. Indien de meeloper haar taak als bestuurder wel naar behoren had uitgevoerd zou zij aan haar echtgenoot kritische vragen hebben gesteld en zou, bij voldoende doorvragen, aan het licht zijn gekomen dat hij zich met onfrisse praktijken inliet. Naar de huidige stand van het recht, als weergegeven in het door de woningbouwstichting aangehaalde THB-arrest, kan op die grond aansprakelijkheid worden aangenomen. Een van de kenmerkende elementen in deze zaak is dat niet (alleen) de dominante echtgenoot van de meeloper maar (vooral) de toenmalige directeur van de woningbouwstichting de instigator van de oplichting was. De ernst van de door de meeloper gemaakte fouten - haar gebrek aan toezicht en aan kritische opstelling jegens haar dominante echtgenoot - valt in het niet bij het gebrek aan (effectief) toezicht van de woningbouwstichting. De omstandigheid dat de oplichting vijf jaar heeft kunnen voortduren en tot een schade van circa € 25 miljoen heeft kunnen leiden is voldoende grond om aan te nemen dat het aan adequaat toezicht heeft ontbroken. Dat is voor de rechtbank aanleiding om de vergoedingsplicht van de meeloper te beperken tot de omvang van het door haar uit het onrechtmatig groepshandelen genoten voordeel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken