Rb. Noord-Holland 24 augustus 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:6885

Internationaal privaatrecht; IPR; Incidentele vordering tot onbevoegdverklaring afgewezen. Bij de beoordeling van de bevoegdheid ligt in beginsel slechts ter beoordeling voor of aan de ingestelde vordering een verbintenis uit overeenkomst ten grondslag is gelegd en of uit de door de eisende partij verstrekte gegevens het bestaan van die overeenkomst voldoende kan blijken. De rechter mag daarbij uitgaan van de stellingen van eiser. Niet doorslaggevend is of gedaagde het bestaan van de aan de eis ten grondslag gelegde overeenkomst betwist. Uit punt 12 van de Considerans van de Herschikte EEX-Vo volgt dat indien voor de rechter van een lidstaat een beroep wordt gedaan op een overeengekomen arbitragebeding de rechter kan onderzoeken of het arbitrale beding is vervallen, niet geldig is of niet kan worden toegepast, ‘een en ander in overeenstemming met zijn nationale recht’. Op de vraag of een arbitraal beding materieel geldig is, dient de Nederlandse rechter het recht toe te passen dat door artikel 10:166 BW is aangewezen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken