Rb. Noord-Holland 4 mei 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:3936
Op grond van artikel 799 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevat een verzoekschrift de namen en, voor zover bekend, de voornamen en de woonplaatsen van de belanghebbenden, alsmede van anderen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn. Uit artikel 279 Rv volgt dat de rechter, behalve de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, te allen tijde belanghebbenden kan oproepen. Waar voor de dagvaardingsprocedure expliciet in de wet is opgenomen dat de eiser de juiste verweerder moet dagvaarden, geldt dit voor de verzoekschriftprocedure niet en is derhalve de sanctie van niet-ontvankelijkheid ook niet opgenomen voor deze procedure. De rechter bepaalt in de verzoekschriftprocedure wie belanghebbenden zijn. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 oktober 1989 (LJN: AD0930). De griffier heeft op 24 maart 2016 de bewindvoerder opgeroepen om in de procedure te verschijnen. De advocaat van de vrouw heeft bericht op 29 maart 2016 dat de bewindvoerder niet zal verschijnen ter zitting en dat zij van de inhoud van het verweer op de hoogte is. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldaan is aan de vereisten van artikel 1:441 BW en dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl