Rb. Noord-Holland 21 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:2487
Bezwaarschrift ex artikel 22g, derde lid, WvSr ontvankelijk ondanks tenuitvoerlegging. Artikel 22g lid 3 Wetboek van Strafrecht (Sr) luidt als volgt: “Tegen de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, kan de veroordeelde binnen veertien dagen na de betekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de rechter die de straf oplegde. De rechter kan de beslissing van het openbaar ministerie wijzigen. Indien de rechter het bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij in zijn beslissing het aantal uren taakstraf aan dat nog moet worden verricht en binnen welke termijn de taakstraf moet worden voltooid.” Oorspronkelijk was in het wetsvoorstel opgenomen dat het indienen van bezwaar schorsende werking had tegen de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Bij amendement van het lid Dittrich (D’66) is voorgesteld om die schorsende werking te laten vervallen. Daarbij werd de volgende toelichting gegeven: “De rechter bepaalt bij het vonnis het aantal dagen vervangende hechtenis, indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt uitgevoerd. De officier, die dit laatste constateert, mag de tenuitvoerlegging van die vervangende hechtenis bevelen. Een officier van justitie zal daar niet lichtvaardig toe overgaan. Zou het enkele feit van indienen van een bezwaarschrift tot gevolg hebben dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt geschorst, dan zullen veel veroordeelden zo'n bezwaarschrift om die reden indienen om tijd te winnen. Beter is het om de regel om te draaien. In beginsel tijdens de bezwaarschriftprocedure in vervangende hechtenis, tenzij de rechter in een spoedprocedure besluit die hechtenis wel te schorsen.” (TK 1999-2000, 26 114, nr. 16) Dit amendement is vervolgens aangenomen en artikel 22g lid 3 Sr is op 1 februari 2001 in werking getreden. Aan het indienen van een bezwaarschrift is dus geen schorsende werking verbonden. De rechtbank is van oordeel dat aan de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis echter niet het gevolg van niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift mag worden verbonden. Dat zou namelijk betekenen dat dit rechtsmiddel zo goed als illusoir wordt bij kortdurende vervangende hechtenis. In de praktijk gaat het immers niet zelden om enkele dagen tot enkele weken (zoals ook in het onderhavige geval). Veroordeelde moet dan na zijn aanhouding vanuit detentie nog een bezwaarschrift opstellen en dat bij de juiste griffie zien in te dienen. Vervolgens moet nog zittingsruimte worden gevonden om het bezwaarschrift inhoudelijk te behandelen. De vervangende hechtenis is dan vaak al ‘uitgezeten’. Veroordeelde heeft er ook in die situatie recht op dat de beslissing tot omzetting van de taakstraf in vervangende hechtenis wordt getoetst door de rechter. Die toets zou namelijk ook kunnen leiden tot het oordeel dat de omzettingsbeslissing ten onrechte is genomen. Het bezwaarschrift is daarom ontvankelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl