Rb. Noord-Holland 10 maart 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1887
Afwijzing van verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder om ontheffing te verlenen voor het doden van damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en Nationaal Park Zuid-Kennemerland (NPZK) om de populatie te verkleinen. Volgens verweerder blijkt uit het Faunabeheerplan dat de damherten de flora en fauna in deze gebieden beschadigen en is de verkeersveiligheid in het geding vanwege aanrijdingen met damherten in het gebied. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet op voorhand aannemelijk is dat de ontheffing in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven althans dat uiteindelijk zal blijken dat deze niet mocht worden verleend. Het debat over de rapporten die partijen over en weer aan hun standpunten ten grondslag hebben gelegd, zal in de bodemprocedure moeten worden gevoerd, die naar verwachting in de zomer wordt behandeld. Op voorhand bieden de rapporten waar verzoekster zich op beroept, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder de door de damherten veroorzaakte schade aan flora en fauna niet aan de ontheffing ten grondslag heeft mogen leggen. Verder vinden er dusdanig veel aanrijdingen met damherten plaats in het gebied dat de verkeersveiligheid in het geding is. Tot slot zijn er niet zodanige belangen dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is.
De uitspraak op rechtspraak.nl