Rb. Noord-Holland 28 januari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:1148
Wwz. Het gaat om de vraag of er in deze zaak aanleiding is voor toekenning van een transitievergoeding aan de werknemer, ten laste van de werkgever en zo ja, op welk bedrag deze vergoeding moet worden vastgesteld. Het bepaalde in artikel 24 lid 2 sub a van de Ontslagregeling mist toepassing omdat de arbeidsovereenkomst is beëindigd per 31 december 2015 en derhalve de resultaten uit het jaar 2012 ook meebepalend zijn voor de beoordeling. De kantonrechter ziet niet in op grond waarvan slechts de jaren vanaf 2010 dienen mee te tellen bij de bepaling van de omvang van de vergoeding, zoals door de werkgever bepleit. Het feit dat de werknemer mee heeft kunnen profiteren door haar huwelijk van de winst uit onderneming en haar salaris opzij heeft kunnen zetten, maakt dit niet anders. Alle overige door de werkgever aangevoerde argumenten hebben voor het merendeel betrekking op haar slechte financiële positie en leiden niet tot afwijzing van het verzoek. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat partijen in de arbeidsovereenkomst van maart 2010 zijn overeengekomen dat bij staking van de onderneming geen afvloeiingsvergoeding verschuldigd zou zijn. Immers op het moment van het sluiten van die overeenkomst waren partijen nog niet bekend met regeling van de transitievergoeding zoals deze thans geldt. Bovendien is afwijking van de wettelijke regeling van de transitievergoeding alleen mogelijk bij cao, in geval daarin een gelijkwaardige voorziening is opgenomen. Hiervan is in onderhavige zaak geen sprake, zodat de werknemer op grond van de wettelijke bepalingen onverkort recht heeft op een transitievergoeding. De berekening van de werknemer van de transitievergoeding is niet afzonderlijk betwist en het bedrag ad € 43.722,36 zal dan ook worden toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl