Rb. Noord-Holland 18 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7832
Eisers hebben een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Verweerder heeft de WWB-uitkering vanaf het moment dat deze is toegekend ingetrokken en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Eisers zouden geen melding hebben gedaan van (aanzienlijk) vermogen in de vorm van onroerend goed en contant geld. Daarnaast zouden eisers inkomsten uit het telen van hennep hebben gehad, waarvan geen melding is gemaakt. Een nieuwe aanvraag voor bijstand heeft verweerder afgewezen omdat nog immer het recht op bijstand niet is vast te stellen. De onderzoeksresultaten van verweerder bieden voldoende steun voor het oordeel dat sprake is van (aanzienlijk) vermogen, (grote) sommen geld en inkomsten uit het telen van hennep. Door hiervan geen melding te maken hebben eisers hun inlichtingenplicht geschonden. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Verweerder was derhalve bevoegd om de bijstand over de gehele periode in te trekken en is gehouden om tot terugvordering over te gaan. Geen sprake van dringende redenen om hiervan af te zien. Verweerder heeft de nieuwe aanvraag van eisers terecht afgewezen. Eisers hebben niet aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij op een later tijdstip wel voldoen aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Het bestreden besluit kan stand houden. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl