Rb. Noord-Holland 26 augustus 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7169
De directeur-grootaandeelhouder mocht, met inachtneming van de door hem te betrachten zorgvuldigheid, redelijkerwijze niet menen dat de vennootschap aan haar verplichting tot afdracht van de dividendbelasting zou voldoen. De directeur-grootaandeelhouder is niet te goeder trouw ter zake van de ingehouden maar niet afgedragen dividendbelasting. Nu er geen sprake is van geheven dividendbelasting in de zin van artikel 9.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 kan de dividendbelasting niet worden verrekend met de verschuldigde ib/pvv.
De uitspraak op rechtspraak.nl