Rb. Noord-Holland 8 juli 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:7167

“Niet-ontvankelijkverklaring van een verzoek tot ondertoezichtstelling; vader (zonder gezag) als verzoeker; uitleg van art. 1:255 lid 2 BW; in het bijzonder de zinsnede “indien de RvdK niet tot indiening van het verzoek overgaat”. Interpretatie van de nieuwe wetstekst in het licht van de strekking van de gewijzigde jeugdhulp-verlening. Eerst wanneer de Raad tot het oordeel komt dat geen verzoek wordt gedaan tot hulpverlening binnen het verplichte kader van een ondertoezichtstelling, zou een ouder –die het daarmee niet eens is- zich dan tot de rechter kunnen wenden. In onderhavige zaak was de Raad nog niet eerder betrokken. De kinderrechter merkt daarbij wel op dat in de huidige wetgeving niet duidelijk geregeld lijkt te zijn hoe moet worden bepaald of en zo ja, op welk moment de Raad niet tot indiening van het verzoek is overgegaan. De kinderrechter constateert dat voor onderhavig geval een duidelijke regeling vergelijkbaar met de regeling, zoals opgenomen in art. 1:255 lid 3 BW jo. art. 2.4 lid 1 van de Jeugdwet node ontbreekt. Dit brengt echter niet met zich mee dat verzoeker –bij gebreke aan een dergelijke regeling voor onderhavig geval- ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek”.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen