Rb. Noord-Holland 10 juli 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:5858
Vordering van een Vereniging tegen één van haar leden tot staken van bouwwerkzaamheden c.q. afbraak van opbouw afgewezen. Mogelijk is sprake van een vermindering van lichtinval en zeker is sprake van een vermindering van (vrij) uitzicht, maar níet zodanig dat te verwachten valt dat de bodemrechter daarover zal oordelen dat sprake is van het toebrengen van onrechtmatige hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW. Opbouw ook niet in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW en evenmin sprake van onrechtmatige daad. Wel strijd met het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging, maar gelet op de datum van de totstandkoming daarvan (ruimschoots ná het indienen van de bouwaanvraag voor de opbouw) heeft het er alle schijn van dat de daarin opgenomen ‘nadere regelen’ op de Statuten primair (zo niet uitsluitend) zijn ingegeven door de wens van de Vereniging om de opbouw te voorkomen, zodat de voorzieningenrechter het voorshands aannemelijk acht dat de bodemrechter zal oordelen dat de Vereniging in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt dan wel misbruik maakt van recht door het Huishoudelijk Reglement onverkort toe te passen op de opbouw. Vordering in reconventie tot het tijdelijk gebruik maken van de onroerende zaken van een aantal leden van de Vereniging voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de opbouw toegewezen, omdat de eigenaar van de onroerende zaak waarvan noodzakelijkerwijs gebruik gemaakt dient te worden voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van een andere onroerende zaak volgens artikel 5:56 BW gehouden is om dit ‘na behoorlijke kennisgeving en tegen schadeloosstelling’ toe te staan, tenzij er voor deze eigenaar ‘gewichtige redenen’ bestaan om dit gebruik te weigeren. In casu wel behoorlijke kennisgeving, maar geen gewichtige redenen aanwezig.
De uitspraak op rechtspraak.nl