Rb. Noord-Holland 23 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:5129
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de rechthebbende van de onroerende zaak op het moment van verkrijging B&E Bouwmanagement 1 was en dat de naam van deze vennootschap in 1997 is gewijzigd in (…) Holding. Daarmee staat tevens vast dat de hypotheekakte van 13 juli 2005 een fout bevatte. B&E Bouwmanagement 2 wordt in die akte immers als hypotheekgever aangeduid, terwijl zij geen rechthebbende van de onroerende zaak was en daarmee niet beschikkingsbevoegd was tot het vestigen van een recht van hypotheek op de onroerende zaak. Het voorgaande leidt ertoe dat, nu de hypotheekgever niet beschikkingsbevoegd was en gelet op de artikelen 3:260 lid 4 BW jo 3:84 BW, bij genoemde akte geen hypotheekrecht is gevestigd. Dit betekent dat ABN Amro Bank niet op grond van die akte kan worden aangemerkt als hypotheekhouder en dat zij niet bevoegd is de onroerende zaak op basis van die akte openbaar te (doen) verkopen op grond van artikel 3:268 lid 1 BW. Nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een kennelijke misslag of schrijffout was de notaris niet op grond van artikel 45 lid 2 Wna bevoegd tot verbetering van de hypotheekakte van 13 juli 2005 over te gaan. Dit betekent dat deze verbetering niet tot stand is gekomen, ook al suggereert de herstelakte dit wel. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat bij de akte van 13 juli 2005 geen hypotheekrecht is gevestigd, zodat ABN Amro Bank niet op grond van die akte de bevoegdheid toekomt om tot executoriale verkoop van de onroerende zaak over te gaan
De uitspraak op rechtspraak.nl