Rb. Noord-Holland 21 januari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:415
Vordering tot opheffing of wijzing erfdienstbaarheid van weg wegens onvoorziene omstandigheid dat de weg nu gebruikt wordt met vrachtwagens ten behoeve van de bevoorrading van een supermarkt Aangezien de erfdienstbaarheid is gevestigd in 1883 en dus vóór de invoering van artikel 5:78 BW op 1 januari 1992, is voor de toepasselijkheid daarvan het overgangsrecht van belang. Vast staat dat ook in het verleden meer in het bijzonder vóór 1992 - met vrachtwagens gebruik gemaakt is van de erfdienstbaarheid. De omstandigheid dat het transportbedrijf in 1972 is opgeheven, waarna lange tijd geen gebruik is gemaakt van vrachtverkeer op de desbetreffende weg, maakt niet dat de hervatting van dat gebruik een onvoorziene omstandigheid is die zich pas op of na 1 januari 1992 heeft voorgedaan. Het huidige gebruik kwalificeert alleen al daarom niet als een onvoorziene omstandigheid die zich op of na 1 januari 1992 heeft voorgedaan, zodat dat gebruik gelet op het overgangsrecht bij artikel 5:78 BW geen grond kan zijn voor wijziging van de erfdienstbaarheid. Ook als het gebruik van de weg met vrachtverkeer ten behoeve van de supermarkt op het heersend erf wèl zou kwalificeren als onvoorziene omstandigheid die zich pas op of na 1 januari 1992 heeft voorgedaan, is die omstandigheid niet van dien aard dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet kan worden gevergd. Nu eiser het perceel heeft verworven terwijl hij wist van het door Vos Spoorwegstraat voorgestane gebruik van de erfdienstbaarheid en ook wist dat dit gebruik binnen de reikwijdte van de erfdienstbaarheid viel, kan niet worden geoordeeld dat ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van eiser gevergd kan worden. Een andersluidende opvatting zou immers betekenen dat een erfdienstbaarheid in geval van onvoorziene omstandigheden altijd aan die omstandigheden zou moeten worden aangepast teneinde de eigenaar van het heersend erf te vrijwaren voor een mogelijke vordering ex artikel 5:78 BW van toekomstige eigenaren van het dienende erf, ook als de eigenaar van het dienende erf in bedoelde omstandigheden geen aanleiding ziet voor een dergelijke vordering, of daar zelfs expliciet mee heeft ingestemd. Dat kan niet worden aanvaard, aangezien de stabiliteit van de rechtsverhoudingen die uit het zakelijk recht van erfdienstbaarheid voortvloeit daarmee te zeer zou worden ondermijnd. Ook de omstandigheid dat het onrechtmatig gebruik van de weg door derden (fietsers, bromfietsers en voetgangers) intensief zou zijn toegenomen geeft geen juridische grondslag voor wijziging van de erfdienstbaarheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl