Rb. Noord-Holland 23 december 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11297

Vordering tegen de Staat op grond van onrechtmatig handelen door de rechtspraak (eiseres heeft ter gelegenheid van comparitie deze grondslag laten vallen), de Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie. Eiseres is gelet op het bepaalde in artikel 1:245 lid 4 BW als behartiger van de belangen van de minderjarige zoon niet ontvankelijk. Verweer van de Staat dat vorderingen ook stranden op relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 6:163 BW faalt. De norm die de publieke waarborgfunctie beoogt te beschermen (een gezonde en evenwichtige ontwikkeling van het kind) beschermt derhalve ook, anders dan door de Staat betoogd, het belang van de mede verzorgende ouder. Rechtbank komt niet tot oordeel dat de Raad en OM onrechtmatig hebben gehandeld. Niet gebleken dat de Raad geen deugdelijk onderzoek heeft gedaan of onzorgvuldig heeft gehandeld. Het verweer van de Staat dat eiseres geen belang bij haar vordering jegens het OM heeft faalt. Gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, 277/05 is de rechtbank van oordeel dat eiseres een rechtens te respecteren belang heeft om de rechtmatigheid van de kennisgeving te laten toetsen. Eiseres behoort niet haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de voorwaardelijke kennisgeving gold, inmiddels is verstreken. Rechtbank kan echter niet beoordelen of het OM niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat in het voorliggende geval sprake is geweest van smaad, en of de rechtvaardigingsgrond van het derde lid van artikel 261 Sr zich heeft voorgedaan. Vorderingen worden afgewezen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen