Rb. Noord-Holland 24 oktober 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:9762
Bij het primaire besluit heeft verweerder aan de besloten vennootschap Kindercentrum De Blokkendoos B.V. uit Hoorn op grond van artikel 1.65 van de Wet kinderopvang en kwaliteitsregels peuterspeelzalen een aanwijzing gegeven voor haar kindercentrum in Hoorn. Eiseres heeft beroep ingesteld. Zij kan zich niet verenigen met de aanwijzing voor zover daarbij is bepaald dat zij niet als beroepskracht en als leidinggevende mag optreden bij KDB. Eiseres heeft in haar hoedanigheid van werkneemster van KDB een eigen rechtstreeks belang bij het bestreden besluit. Daartoe is redengevend dat de mogelijkheid bestaat dat zij als gevolg van het besluit zal worden beperkt in haar carrièremogelijkheden op het gebied van kinderopvang in de gemeente Hoorn en, gelet op de berichtgeving over eiseres en de Blokkendoos, wellicht ook daarbuiten. Omdat zij aldus mogelijk zal worden geschaad in een aan het fundamentele recht op arbeid ontleend belang, mag ter bescherming daarvan toegang tot de rechter haar niet worden onthouden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2341 De omstandigheid dat KDB inmiddels failliet is en de curator het door KDB tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft ingetrokken doet aan het eigen, rechtstreekse belang van eiseres niet af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, ondanks het faillissement van KDB, (nog) een afdoende processueel belang bij de beoordeling van het bestreden besluit. Daartoe is redengevend dat niet op voorhand onaannemelijk is dat eiseres, zoals door haar is gesteld, als gevolg van verweerders besluitvorming reeds financiële schade heeft ondervonden en ook haar loopbaanperspectief als gevolg daarvan negatief is beïnvloed en zij verder ook schade heeft ondervonden door de aantasting van haar eer en goede naam. Door inzage in de onderliggende stukken van het door de GGD opgestelde rapport heeft verweerder zich er afdoende van overtuigd dat de inhoud van het inspectierapport waarop hij zijn besluitvorming heeft gebaseerd, inzichtelijk, verifieerbaar en concludent is. De daarin opgenomen verklaringen bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun voor de conclusie van verweerder dat de veilige en pedagogisch verantwoorde opvang van de kinderen in het geding was bij de aanwezigheid van eiseres op het kindercentrum. De aard en inhoud van de verklaringen bieden geen ruimte om eiseres te volgen in haar stelling dat een belangrijk deel van de gedragingen uitvloeisel is van verdedigbare pedagogische keuzen. Aan de door eiseres ingebrachte verklaringen van ouders en huidige medewerkers heeft verweerder voorts geen doorslaggevende betekenis hoeven geven. Daartoe is allereerst van belang dat deze verklaringen op verzoek van eiseres zijn opgesteld, waarbij voor wat betreft de verklaring van de huidige werknemers niet (geheel) voorbij kan worden gegaan aan hun van eiseres afhankelijke positie. De ouders beschikken verder niet over een met de oud-medewerkers vergelijkbare kennis over de dagelijkse praktijk binnen het kindercentrum. Ook is gebleken dat een aantal ouders de ten faveure van eiseres afgelegde verklaring nadien weer hebben ingetrokken, terwijl er bij de GGD voorts ongevraagd nog een groot aantal meldingen is ontvangen die het standpunt van de GGD bevestigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl