Rb. Noord-Holland 29 januari 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:845

Het betreft een scheidingszaak waarbij met name de alimentatie (kinder- en partneralimentatie) tussen partijen heeft gespeeld. Partijen hebben overeenstemming over de behoefte van de minderjarige. Partijen verschillen met name van mening van welk inkomen aan de zijde van de man rekening dient te worden gehouden. Hij werkt bij de [naam bedrijf] en heeft in verband met vaartoelages een wisselend inkomen. De man was zowel aangemeld voor een missie in het buitenland als aangemeld voor een baan als opleider. De rechtbank heeft rekening gehouden met het inkomen dat de man in 2013 heeft verdiend en daarbij voor een maand rekening gehouden met een vaartoelage, omdat de rechtbank dit inkomen als meest gangbaar beschouwd. Bij het berekenen van de draagkracht van de man heeft de rechtbank rekening gehouden met de – niet betwiste – aflossing aan een schuld met een bedrag van € 150,-. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de werkelijke woonlast zoals geadviseerd in het Tremarapport 2014-I. Deze woonlasten zijn de lasten van de voormalige echtelijke woning van partijen waar de vrouw nog woont. De man woont bij zijn ouders maar heeft niet aangetoond daar daadwerkelijk huur te betalen. Partijen zijn nog op hetzelfde woonadres ingeschreven. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank geen draagkracht op basis van haar inkomen. De man heeft onvoldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien. De man dient daarom met zijn volledige beschikbare draagkracht bij te dragen in de kosten van de minderjarige. De rechtbank is voorts ingegaan op de door de vrouw verzochte partnerbijdrage. De rechtbank acht de door de vrouw gestelde behoefte redelijk gelet op het inkomen van de man sinds 2010. Mede gelet op de door de man te betalen kinderbijdrage en onder andere rekening houdend met de zorgkorting heeft de man onvoldoende draagkracht om een partnerbijdrage aan de vrouw te betalen

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen