Rb. Noord-Holland 9 april 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8140

De kern van het geschil betreft het antwoord op de vraag of de kredietverstrekker bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst dan wel nadien in strijd heeft gehandeld met de op haar als financiële instelling rustende zorgplicht. Er is sprake van een relatief eenvoudige kredietovereenkomst met geringe financiële risico’s zodat de zorgplicht van de financiële instelling zich beperkt tot toetsing van de kredietwaardigheid van de kredietnemer en het verstrekken van juiste en duidelijke informatie. In dit geval heeft de kredietverstrekker de kredietwaardigheid van de kredietnemer voldoende beoordeeld; er is geen sprake van strijd met artikel 4:34 lid 1 Wft (r.o. 4.3). Evenmin was sprake van een situatie als bedoeld in artikel 4:34 lid 2 Wft (r.o. 4.4). Ten slotte oordeelt de rechtbank dat de financiële instelling duidelijke en juiste informatie heeft verstrekt over de kredietovereenkomst, zodat de kredietnemer ook in dat kader geen beroep toekomt op schending van de zorgplicht (r.o. 4.9). Nu geen sprake is van schending van enige zorgplicht faalt ook het beroep van kredietnemer op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) (r.o.4.10).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen