Rb. Noord-Holland 22 januari 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:595
De verlaging van de rijksbijdrage met meer dan 50% is aan te merken als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb die zich tegen voortzetting van de loonkostensubsidies voor ID-banen verzet. De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat plaatsing in het RDDF voor ID-medewerkers in verband met opheffing van de betrekking niet noodzakelijk zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de termijn van vier maanden en drie weken als redelijk als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb moet worden beschouwd. Door verplichte plaatsing in het RDDF konden eiseressen de ID-medewerkers eerst per 1 augustus 2013 ontslaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4:51, tweede lid, van de Awb de loonkostensubsidie voor het resterende deel van de termijn, dus tot 1 augustus 2013, aan eiseressen afzonderlijk dient te verlenen
De uitspraak op rechtspraak.nl