Rb. Noord-Holland 29 december 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:12438
Wrakingsverzoek afgewezen. Het OM vervolgt verzoeker in de hoofdzaak wegens het weigeren om als getuige te verklaren (artikel 192 Sr) tijdens een of meer terechtzittingen van het gerechtshof Amsterdam in het “Passage-onderzoek. Het verzoek tot wraking van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland is gedaan nu naar de mening van verzoeker de hoger beroepsinstantie van beslissingen van de politierechter (het gerechtshof te Amsterdam) al heeft gesproken en de rechter – niet organisatorisch, maar wel juridisch-inhoudelijk – hiërarchisch lager staat. Om die reden zou de hoofdzaak volgens verzoeker door een rechtbank buiten het ressort van het gerechtshof Amsterdam moeten worden behandeld. In de wet is geen uitzondering op deze bevoegdheidsregel gemaakt voor het misdrijf van artikel 192 Sr, in die zin dat een vervolging ter zake van dat misdrijf voor een “andere rechtbank” moeten plaatsvinden. Integendeel, uit de wettelijke regeling van de relatieve bevoegdheid inzake het misdrijf van artikel 207 Sr (meineed), gepleegd tijdens een terechtzitting van het gerechtshof in hoger beroep, blijkt juist dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de berechting van dit misdrijf in die situatie uitsluitend onder te brengen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen (artikel 419 Sv juncto artikel 295 Sv). Tegen deze achtergrond, is de rechtbank van oordeel dat ook al zou bij verzoeker de vrees bestaan dat de rechter niet onpartijdig is, deze vrees, niet objectief gerechtvaardigd is.
De uitspraak op rechtspraak.nl