Rb. Noord-Holland 24 december 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:12269
Geschil tussen erfgenamen over de auteursrechten van kunstenaar. Vraag of de auteursrechten bij leven van de kunstenaar zijn ingebracht in de door hem opgerichte vennootschap ten behoeve van de exploitatie van de kunstwerken. De rechtbank legt de bepalingen in de akte van oprichting van de vennootschap uit met inachtneming van de omstandigheden van het concrete geval en concludeert dat de vennootschap auteursrechthebbende is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien overdracht van auteursrechten niet zou worden aangenomen, ervan uit dient te worden gegaan dat een licentieovereenkomst bestaat. De door eisers gevraagde verklaring voor recht dat de licentieovereenkomst is beëindigd, zou in dat geval voor afwijzing gereed liggen aangezien geen sprake is van een redelijke opzegtermijn en bovendien een aanbod tot passende schadeloosstelling geheel ontbreekt. De tegen de certificaathouder van de vennootschap gerichte uitstotingsvordering ontbeert juridische grondslag. Het beroep op artikel 2:336 BW wordt verworpen. Verder worden de vorderingen tot terugbetaling van de leningen en de achterstallige stamrechtuitkering aan de echtgenote van de kunstenaar toegewezen. De algemene schadevergoedingsvordering wordt afgewezen omdat niet is onderbouwd waaruit de gestelde schade bestaat
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 706 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 2 Auteurswet
- Artikel 2:8 BW2
- Artikel 2:9 BW2
- Artikel 2:336 BW2
- Artikel 2:359a BW2
- Artikel 6:2 BW6
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:248 BW6
- Artikel 3:15j BW3
- Artikel 3:296 BW3
- Artikel 3:310 BW3