Rb. Noord-Holland 14 januari 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:1028
Openbaar Ministerie niet ontvankelijk, foutieve oproeping, schorsing der vervolging, geen gronden voor ambtshalve opheffing van de schorsing der vervolging. Uit het vorenstaande volgt dat de eerder uitgesproken schorsing van de vervolging in de strafzaak en de vordering tenuitvoerlegging voortduurt en de officier van justitie op dit moment geen recht tot verdere vervolging toekomt zoals met de oproeping is beoogd. Het openbaar ministerie dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard. Indien het openbaar ministerie tot verdere vervolging van verdachte wenst over te gaan ligt het op haar weg de opheffing van de schorsing van de vervolging van verdachte te vorderen op grond van artikel 19, eerste lid, Sv, te behandelen door de raadkamer zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, Sv. Daarbij dient afdoende te worden onderbouwd dat van herstel van verdachte is gebleken als bedoeld in artikel 16, tweede lid, Sv.
De uitspraak op rechtspraak.nl